Duinkerke: Deel I - De zak met kleding

Samen met een vriendin, Jacqueline, Monica en nog twee kennissen ben ik, Jilke, een dag naar Duinkerke geweest. Hier ligt een vluchtelingenkamp waar mensen tijdelijk in verblijven die gevlucht zijn en als doel hebben om in Engeland te geraken en daar een bestaan op te bouwen. Monica gaat maandelijks naar Duinkerke om hier noodhulp te verlenen. Ze gaat met een bus naar Duinkerke waarin ze tenten, slaapzakken en kleding heeft om daar uit te delen waar het nodig is. Daarnaast vindt ze het belangrijk om, door middel van gesprekken, mensen te laten weten dat er om ze wordt gegeven en dat ze gezien worden. Jacqueline en ik mochten op 30 oktober met haar mee om haar te helpen en voor onszelf te ervaren hoe mensen in een vluchtelingenkamp leven.

Om zeven uur ‘s ochtends werden Jacqueline en ik door Monica opgehaald met haar busje waarmee we naar Duinkerke zouden rijden. Achterin dit busje zaten de nodige spullen voor de mensen daar: tenten, slaapzakken, dekens, kleding, waaronder broeken, jassen, en ook kleding voor kinderen en baby’s. Naast ons tweeën ging ook Gijs mee. Hij is een vriend van Monica die vaker mee is geweest naar Duinkerke. Voor Jacqueline en ik zou dit onze eerste keer worden, terwijl Monica hier elke maand met haar busje heen rijdt. Monica vertelde dat het de laatste tijd erg onrustig was op het kamp, dus het was fijn dat Gijs mee was, omdat hij al bekend is met de situatie daar. In Duinkerke verzamelden we bij een winkelcentrum waar we Arash ontmoeten. Arash is een vriend van Monica die zij heeft leren kennen toen hij zelf nog in het kamp zat. Arash woont nu in Duinkerke zelf, maar gaat regelmatig met Monica mee het kamp op. Arash heeft de situatie dus ook van de andere kant meegemaakt. Daarnaast spreekt hij de moedertaal van veel vluchtelingen, waardoor hij ook makkelijker met hen kan communiceren.

Op het parkeerterrein troffen we een vluchteling aan die geen dichte schoenen had. Monica wilde hem meteen helpen en zocht geschikte schoenen uit de bus. Ze was wel voorzichtig hiermee, omdat ze de bus pas echt wilde openen op het kamp. Dit kamp verplaatst regelmatig van plek, maar nu konden we vanaf de parkeerplek al enkele tenten en vluchtelingen zien. Terwijl Arash en Gijs het kamp opliepen, zijn Monica, Jacqueline en ik met de bus het kamp opgereden. Onderweg werden we vriendelijk begroet en zwaaiden mensen naar ons. Eenmaal daar openden we de bus. Monica zet altijd twee tafels tussen de auto en de mensen in, en vraagt de mensen om in een rij te gaan staan. Gijs en Arash zouden in het busje staan en dingen aangeven en wij zouden vragen wat de mensen nodig hadden en hen die spullen aangeven. Dat was het plan… Maar dat het onrustig was op het kamp was niks overdreven. Achteraf vertelde Monica dat ze dit eigenlijk nog nooit zo had meegemaakt. Mensen die later bij het busje waren gekomen, gingen niet achterin de rij staan en kwamen vanaf de zijkant vragen om spullen. Al snel was van het hele systeem vrijwel niks meer over. Aan de ene kant kan ik die mensen wel begrijpen die niet achteraan, maar aan de zijkant gingen staan. Wanneer de bus leeg is, is hij leeg en je wilt niet het risico lopen te laat te zijn. We hebben de bus ook meerdere keren weer dichtgedaan, omdat het jammer genoeg bijna onmogelijk was iemand te geven wat ze nodig hadden. Als het zo druk was, zouden we eerst het kamp over gaan en later, op een rustig moment, de bus weer openen en verder gaan met uitdelen. Maar iedere keer wanneer de bus weer dicht ging, verscheen er opeens weer een mooie rij wat ons toch weer stimuleerde om door te gaan. Enkele mannen stelden ook voor om te helpen. Ze speelden een soort bodyguards om de orde te bewaren en ook hielpen enkelen met het vertalen en communiceren. We werden vanaf de zijkant ook door meerdere mensen benadert die niks hadden en we wilden ook hen graag helpen. Ook kwamen er op een gegeven moment gezinnen aanlopen. Een vluchteling met zijn zoon en dochter, beide onder de tien jaar. Een Ethiopische vrouw met een baby’tje op haar rug gebonden met nog twee andere kinderen. Ook zij stonden vlakbij de bus. Sommige kinderen droegen niet eens een jas, terwijl het eind oktober was en vrij regenachtig de hele dag. Enkele moeders vroegen ons om babyspullen. We hadden wel speciaal baby- en kinderspullen bij ons alleen dit was lastig om te pakken. Monica had ons al vertelt dat ze vaak een boekje achter de hand hield voor mensen die ze later ontmoette die ook dringend een tent of een slaapzak nodig hadden. We wilden deze mensen niet in de chaos laten staan en konden hen ook niet direct helpen. We gaven ze dus een “ticket” waarmee ze later om vijf uur hun spullen konden halen. Een Afghaanse man van rond de vijfentwintig, genaamd Jafar, zei dat hij de vrouw met kinderen hielp. Deze familie zou nu weer teruggaan naar hun tent, zodat ze niet in de regen, kou en chaos hoefden te wachten op hun spullen. Even later wisten we de kinderspullen te bemachtigen en wilden Jacqueline en ik samen met Jafar de familie weer opzoeken. We waren nauwelijks vertrokken of er begon een gevecht dichtbij de bus. Jafar wilde terug om het gevecht op te lossen, maar aan beide kanten werden de vechtende mannen al uit elkaar getrokken. Jacqueline en ik stelden Jafar voor om gewoon het kamp op te gaan en het gezin op te zoeken, want we wilden niet dat de spullen in de chaos zouden kwijtraken.

Het kamp wordt ook wel “the jungle” genoemd. Op de weg waarover we er met het busje gekomen zijn na, is alles onverhard. Hierdoor zijn de “paden” erg modderig. We waren al gewaarschuwd door Monica dat we niet onze nieuwste schoenen aan moesten doen, dus droegen we regenlaarzen. Zelfs met deze laarzen was het af en toe zoeken waar je het beste een voet neer kon zetten en gleden we meerdere keren bijna uit. En wij waren nog goed voorbereid, in tegenstelling tot de meeste mensen die hier op sneakers of zonder dichte schoenen liepen. Af en toe zagen we tenten langs blubberige paadjes. Na lang rechtdoor lopen kwamen we aan op een open veld. Hier stonden ook enkele tenten maar het veld was grotendeels leeg. Hier bood Jafar ons thee aan. Wij stemden in en bij een soort kraampje kregen we een kartonnen bekertje met thee. We zagen hem een briefje van tien wisselen en realiseerden ons toen dat hij van het weinige geld dat hij bezat zojuist thee voor ons had betaald. Met onze dampende thee liepen we over het open veld, waar ook enorme waterplassen en modderige gedeeltes waren. Overal op het veld lag troep. Op een gegeven moment stopte Jafar met lopen en vertelde ons dat op dat stuk grond waar wij nu voor stonden ooit zijn tent had gestaan. De politie jaagt ‘s nachts vaak mensen weg en sloopt ook tenten, waaronder de zijne. Jafar vertelde ook dat er geen voorzieningen waren in het kamp, geen toilet of douches. Omdat we nog steeds de familie niet hadden gevonden liepen we verder en verder en zagen we hoe groot het kamp is. Een schatting is dat er destijds zo’n duizend mensen in het kamp zaten. Het totale gebied is enorm maar niet overal staan tenten. Sommigen staan op het open deel, maar veel tenten staan ook verscholen in de bosjes dus meer buiten het zicht. Achter het veld zagen we een betonnen schuur waar veel mensen stonden. Jafar legde ons uit dat dit de enige plek op het hele kamp was waar elektriciteit is en dat veel mensen hier komen om hun telefoon op te laden. Vlak voordat we bij dat gebouw waren, kwam er een busje aangereden. Het leek alsof er politie in zat maar Jafar verzekerde ons dat dat niet zo was en dat er niks zou gebeuren en inderdaad na een bocht te hebben gemaakt verdween het busje weer. Bij een met beton verhard deel van het kamp zagen we nog een vrouw met een klein kindje. Deze vrouw had vast ook baat bij de babykleertjes, alleen hadden we deze zak met kleding al aan een andere vrouw beloofd, dus wilden we die zoektocht eerst nog voortzetten voor we het aan een ander gaven. Jacqueline belde Monica en zij zei dat het gezin bij de bus stond. We kwamen al snel weer bij de weg uit waar ook het winkelcentrum lag en maakten zo een rondje over het kamp. Eenmaal weer bij de bus aangekomen zagen we Monica met het jongetje spelen. Ze zong “papegaaitje leef je nog”, waar het jongetje enorm om moest lachen. Uiteindelijk overhandigde Jafar de zak met kleding.